Classical Music Home

Welcome to Naxos Records

Email Password  
Not a subscriber yet?  
Keyword Search
 in   
 Classical Music Home > Naxos Album Reviews

Album Reviews



 
See latest reviews of other albums...


Aloïs Van Tongerloo
Klassiek Centraal, April 2017

Giacomo Puccini (1858–1924) betekent in de muziekgeschiedenis meer dan de wereldberoemde componist van opera’s. Naast een mis, fuga’s en werken voor orkest, piano, solisten, koor en orkest schreef hij ook een aantal liederen die zo’n drie decennia geleden (her)ontdekt werden. Natuurlijk was hij geen gespecialiseerd liedcomponist, maar reeds in zijn eerste lied herkennen we klanken van de latere grootmeester.

Puccini componeerde liederen die zowat zijn hele muzikale carrière bestrijken, tussen 1875 en 1919. Weinige ervan werden gepubliceerd en we moesten tot 1987 wachten, wanneer Michael Kaye The Unknown Puccini publiceerde met alle tot die datum bekende liederen uit drukken en manuscripten. Ook de jaren nadien deed deze auteur verdere ontdekkingen die hij eveneens publiceerde. Het initiatief van Naxos moet dan ook toegejuicht worden om de hele tot heden bekende collectie uit te brengen. Niet alleen is deze editie van belang voor de liederenproductie an sich, maar tevens voor de waardebeoordeling van de maestro: ze belichten niet alleen zijn muzikale evolutie, maar Puccini wendde melodieën ervan aan in zijn opera’s. De tekst is raadpleegbaar op de website van Naxos. Wat mij in deze cd merkwaardig voorkomt is dat de liederen niet chronologisch gepresenteerd worden, maar wel in een onverklaarde en een naar mijn interpretatie onverklaarbare, willekeurige orde. Lied nr 1 Canto d’anime dateert uit 1904 en het laatste, nr 19 Vexilla Regis prodeunt vermoedelijk uit 1878. Hierna volgen wij wel de gebruikelijke chronologische volgorde, zoals vastgesteld door Kaye. Tussen haakjes wordt het nummer van de cd weergegeven. Sopraan Krassimira Stoyanova en Maria Prinz aan de piano zijn de vertolksters; de sopraan zingt tevens de twee mezzosopraanpartijen. Welke firma durft het aan om in de toekomst deze opuscula nog eens uit te brengen met de door de toondichter aangeduide stemmen en begeleidende instrumenten?

Zoals blijkt uit de data van compositie valt de liedproductie van Puccini in te delen in vier fasen: zijn jeugd in Lucca, de vroege jaren in Milaan, de tijd wanneer zijn eerste grote successen in première gaan, en tenslotte zijn laatste creatieve fase. Wanneer de achttienjarige Puccini een voorstelling bijwoont van Aida besluit hij operacomponist te worden en te breken met de muzikale familietraditie. Naast enkele liederen horen twee duetten thuis in de vroegste periode. Zijn eersteling, A te (1875, Lucca, Nr 9; tekstschrijver onbekend), dateert uit de studentenjaren aan het conservatorium in Lucca. Het liefdesthema is een rusteloze, angstige minnaar die naar een kus verlangt om alles te vergeten. Het slot doet wel denken aan Tosca. Sopraan Stoyanova en pianiste Prinz brengen dit lied vol gedrevenheid. Beata Viscera (1875, Lucca, Nr 14; naar de kerstliturgie uit Lukas 11:27) werd vermoedelijk gecomponeerd ter gelegenheid van de eerste kloostergeloften van Puccini’s zuster, Iginia. In een rijk harmonisch palet is dit eigenlijk een duet met een mezzo. Sopraan Stoyanova zingt beide rollen heel prominent. Vexilla Regis prodeunt a due voci (1878, Lucca, Nr 19; tekst van Venantius Fortunatus uit de 6de eeuw) is een beroemde hymne die voor twee stemmen (oorspronkelijk tenor en bas) getoonzet werd. Stoyanova brengt met veel expressie deze meditatieve tekst. La primavera (1880, Nr 4; eerder in Lucca dan in Milaan geschreven). De tekst werd vermoedelijk door Puccini zelf gedicht en gaat over een agrariër en zijn lentegewassen. Qua stijl zinderen hier de liederen van Bellini en Verdi na en horen we ook iets van Falstaff? Niets dan lof voor de zangeres en pianiste. Ad una morta! (1882, Lucca, Nr 6). De beroemde librettist Antonio Ghislanzoni (1824-1893) (Verdi, Ponchielli, Petrella, Braga, Gomes…) schreef drie gedichten voor de jonge componist. Centraal staat de ziel in de hemelen; de muziek is een preludium op de tragische heldinnen van Puccini. Dit stuk is daarom wel cruciaal voor zijn vroege ontwikkeling. Met een passende emotionele toets wordt dit lied door Stoyanova gepresenteerd.

Het Salve Regina (1882, Milaan, Nr 8; tekst: Antonio Ghislanzoni) bezit heel wat emotionele intensiteit. De melodie werd herbruikt in Le Villi, m. n. in de introductie en het gebed Angiol di Dio (trio eerste acte, 5de scène). De religieuze bewogenheid straalt elegant uit de stem van Stoyanova. Mentìa l’avviso (1883, Lucca, Nr 18; tekst uit Felice Romani (1788-1865): La solitaria delle Asturie, ossia La Spagna ricuperato). Dit is het langste lied uit de collectie (5 min 35 sec) en was een deel van zijn eindexamen in het conservatorium van Milaan. De geest van een verdoemde vrouw spreekt uit het graf. De melodie werd tien jaar later herbruikt in de aria van des Grieux Donna non vidi mai (uit Manon Lescaut). Pianiste en soliste geven een gedreven interpretatie aan deze belangrijke partituur. Storiella d’amore, melodia (1883, Lucca, Nr 16; tekst: Antonio Ghislanzoni): een huiselijke scène waarbij twee personen die een liefdesverhaal lezen beseffen dat ze wederzijds verliefd zijn. De melodie ervan werd herbruikt in het trio van het derde bedrijf van Edgar (1889) en horen we hier ook niet reeds Mimì? Stoyanova is zangtechnisch op haar best. Sole e amore, mattinata (1888, Lucca, Nr 2; tekst: vermoedelijk Puccini). Slechts twee minuten en drie seconden muziek, maar de melodie anticipeert het kwartet uit de derde acte van La Bohème. Door een fijn inlevingsvermogen doen de vertolksters ons ten volle genieten van dit prachtig stukje salonmuziek.

Ave Maria Leopolda (1896, Milaan, Nr 5) is een muzikale groet aan de vrouw van dirigent Leopoldo Mugnone. Een luchtig lied dat slechts één minuut elf seconden duurt, maar toch onze volle aandacht trekt. Een charmante presentatie van sopraan en pianiste. Avanti Urania! (1896, Torre del Lago, Nr 15). De tekst is van Renato Fucini (1843–1921), in zijn dagen een bekend prozaïst en dichter. Het is een gelegenheidsgedicht voor de inzegening van een groter stoomschip van de Marchese Carlo Ginori-Lisci, aan wie hij La Bohème opdroeg. Deze schonk hem ook het stuk grond in Torre del Lago waarop de bekende villa gebouwd werd. Stoyanova kan met de nodige dynamische lyriek dit meer bekende lied voorstellen; de componist anticipeert hier overigens Tosca en Madama Butterfly. Als fervent jager schreef Puccini de Inno a Diana. Ai Cacciatori Italiani (1897, Torre del Lago, Nr 17; tekst: Carlo Abeniacar). Hier is Puccini in zijn element en dat horen we heel expressief bij beide vertolksters. E l’uccellino, Ninna-Nanna (1899, Torre del Lago, Nr 3; tekst: Renato Fucini) schreef Puccini voor het zoontje van zijn vriend, dr. med. Guglielmo Lippi, die kort voor de geboorte gestorven was. Het diepe inlevingsvermogen van de vertolksters dient hier onderlijnd te worden. Terra e Mare (1902, Torre del Lago, Nr 12; tekst: Enrico Panzacchi) is wel zijn meest gesofisticeerd lied. Het beeld van lange rijen populieren die buigen in de wind wordt hier geëvoceerd, ook hun geruis waarbij de componist denkt aan de sterk deinende zee. Stoyanova zingt dit zeer genuanceerd. Canto d’anime, Pagina d’Album (1904, Torre del Lago, Nr 1) werd door de welbekende librettist Luigi Illica (1857-1919) geschreven in opdracht voor de Gramophone Typewriter Company. Het doet denken aan Rinuccio’s Firenze-aria in Gianni Schicchi, anderzijds ook aan de contemporaine Madama Butterfly. Hier horen we beide solisten op hun best.

Casa mia, casa mia (1908, Torre del Lago, Nr 10) is een kleinood van 32 seconden wanneer hij trachtte zijn villa in Boscolungo Abetone te verkopen. Zijn vriend Edoardo da Fonseca publiceerde het tijdschrift La Casa waarin een interview met Puccini gepubliceerd werd i. v. m. zijn huizen; Puccini schonk hem dit lied in ruil voor een advertentie. Op een halve minuut tijd schenken de solisten dit populair deuntje ter ontspanning. Sogno d’or (1912, Torre del Lago, Nr 11; tekst Carlo Marsili) is een slaaplied voor een populair tijdschrift geschreven en vormt de basis voor het mooie kwartet uit La Rondine. De speciale sfeer wordt door Stoyanova subtiel gesuggereerd. Morire? (1917, Torre del Lago, Nr 7; tekst: Giuseppe Adami 1878–1946) wendde hij later aan voor de eerste aria van Ruggero in de tweede versie van La Rondine. De diepzinnige tekst van de bekende librettist Adami en toch wel speciale klankkleur worden heel gevoelvol door Stoyanova geïnterpreteerd. Puccini’s laatst bekende lied is de Inno a Roma (1919, Torre del Lago, Nr 13; tekst: Fausto Salvatori 1870–1929). Uit titel en inhoud kan men afleiden dat het werk regelmatig opgevoerd en opgenomen werd (door Apollo Granforte 1929, Gigli 1937…). Puccini had spijt dat hij de opdracht uit de hoofdstad aanvaard had, hij vond het maar una bella porcheria. Zoals de titel verraadt dient het karaktervol en martiaal gezongen te worden, wat zowel door pianiste als sopraan fors nedergezet wordt.

Uit 1989 dateert een opname van alle liederen uit Kaye’s boek door Placido Domingo en Julius Rudel (CBS MK 44981); verder werden gedrukte liederen meermaals uitgebracht. Deze Naxos-cd omvat nog meer omwille van recenter ontdekte stukken en is dus meer compleet. De zeer ervaren zangeres en pianiste hebben het beste van zichzelf gegeven om deze cd tot een artistiek hoog niveau te verheffen. De Bulgaarse internationale ster Krassimira Stoyanova bezit een prachtige sopraanstem, perfecte stemcontrole, lyrisch en dramatisch precies waar het moet. Op haar zang valt niets aan te merken, op elk moment weet ze te boeien, overal legt ze de juiste accenten. Maria Prinz, eveneens Bulgaarse, is een zeer ervaren, gedreven pianiste. Inderdaad, de muziek is niet zomaar makkelijk harmonisch te interpreteren, noch direct te analyseren omwille van de manuscripttraditie. Alle lof voor deze cd-uitgave die ons een andere, onbekende Puccini reveleert, waarbij in aangeduide gevallen een vroege toonzetting preluderend op zijn latere beroemde opera’s onthuld wordt. © 2017 Klassiek Centraal





Naxos Records, a member of the Naxos Music Group