Classical Music Home

Welcome to Naxos Records

 
Keyword Search
 
 Classical Music Home > Naxos Album Reviews

Album Reviews



 
See latest reviews of other albums...

Michel Dutrieue
Stretto, July 2019

De cantates op deze eerste opname van het Thomanerchor spreken over de menselijke zekerheid veilig te zijn bij God en over het vertrouwen dat God de mens uit alle moeilijkheden zal bevrijden. De uitvoerders zijn Julia Sophie Wagner (sopraan), Stefan Kahle (alt), Wolframm Lattke (tenor) & Tobias Berndt (bas), het Thomanerchor Leipzig o.l.v. Thomaskantor Gotthold Schwarz en het Sächsisches Barockorchester o.l.v. Gotthold Schwarz. Na zijn opname van de solo cantaten van Bach voor alt BWV 35 en 170, uitgegeven in 2009, zet contratenor Damien Guillon op zijn tweede Alpha cd, zijn onderzoeks- en interpretatiewerk verder, met de Cantate BWV 169 voor alt solo en de beroemde cantate BWV 82 “Ich habe genug”. Als aanvulling op dit cantate-programma, speelt de organiste Maude Gratton, Bachs Prelude en Fuga BWV 543 en de koralen Allein Gott in der Höh sei Ehr, BWV 662, BWV 663 en BWV 664.

De koraalcantate “Allein zu dir, Herr Jesu Christ” (BWV 33) werd gecomponeerd voor de 13de zondag na Trinitatis en is voor het eerst uitgevoerd op 3 september 1724 in Leipzig. Bach baseerde de cantate op de gelijknamige hymne van Konrad Hubert uit 1540. Bach componeerde deze cantate in 1724, in zijn tweede jaar als cantor van de Thomaskirche in Leipzig bij Bijbellezingen Galaten 3, 15-22 en Lucas 109, 23-37: de parabel van de Barmhartige Samaritaan.

Deze laatste lezing, Jezus’ uitleg van het gebod Heb God lief, en uw naaste als uzelf, vormt het thema van deze cantate. De cantate behoort tot Bachs tweede cantate jaargang. Bach baseerde het werk op de hymne “Allein zu dir, Herr Jesu Christ” van Konrad Hubert. Dit lied had oorspronkelijk drie coupletten en is later uitgebreid met een vierde, algemene lofprijzing op de Heilige Drie-eenheid. Bach nam het eerste en vierde deel over als openings- en slotkoraal. Hij gebruikte daarbij een koraalmelodie van Paul Hofhaimer (1459-1537). Voor de vier binnendelen van de cantate werkte een onbekende tekstdichter (mogelijk Andreas Stübel) de twee resterende coupletten van de hymne om tot twee recitatief/aria-combinaties.

De eerste vier delen hebben het karakter van een boetelied waarin om vergiffenis van de zonden wordt gebeden. Het openingskoor is een koraalfantasie waarin de sopranen de melodie zingen. De overige stemmen zingen meestal homofoon, waarbij vocale koraalzinnen worden afgewisseld door instrumentale tussenzinnen, door het strijkorkest en twee hobo’s. Bach gebruikte de koraalmelodie van Paul Hofhaimer uit 1512, maar werkte die om naar een opgewektere driekwartsmaat.

In deel drie, een lange alt-aria, laat Bach de instrumenten op bijzondere wijze de tekst uitdrukken: de lage strijkers beelden de stappen uit van de zondaar die op zoek is naar vergiffenis, waarbij de soloviool zijn misstappen laat horen. Hierbij spelen de eerste violen gedempt en begeleiden de overige violen pizzicato. In het middengedeelte daalt de melodie ter illustratie van de drukkende “Sündenlasten”, en bij het opbeurend Jesu Trostwort, stijgt ze weer.

Deel vijf bezingt de liefde tussen God en de mens. Het is een dubbel duet. Een duet van tenor en bas begeleid door het samenspel van twee hobo’s. In het slotkoraal gebruikte Bach opnieuw de koraalmelodie van Paul Hofhaimer.

Bach componeerde de kerkcantate “Wer Dank opfert, der preiset mich”, BWV 17 in Leipzig voor de veertiende zondag na Trinitatis en voerde ze voor het eerst uit op 22 september 1726. In zijn vierde jaar als Thomaskantor in Leipzig voerde Bach 18 cantates uit, gecomponeerd door zijn familielid Johann Ludwig Bach , hofmusicus in Meiningen. Vervolgens plaatste hij een deel van de teksten zelf, inclusief deze cantate, waarschijnlijk geschreven door Ernst Ludwig I, hertog van Saxen-Meiningen . Ze volgen een patroon: zeven bewegingen zijn verdeeld in twee delen, beide beginnend met Bijbelse citaten, Deel I uit het Oude Testament, Deel II uit het Nieuwe Testament. De tekst is gebaseerd op het voorgeschreven evangelie dat vertelt dat Jezus tien melaatsen reinigt. Het wordt geopend door een vers uit Psalm 50, citeert een sleutelzin uit het evangelie en wordt afgesloten door een vers uit Johann Gramanns hymne “Nun lob, mein Seel, den Herren”. De cantate, gestructureerd in twee delen die vóór en na de preek moesten worden uitgevoerd, was gecomponeerd voor de bezetting van vier vocale solisten en koor (SATB) en een ensemble van twee hobo’s, strijkers en continuo.

Als kenner van de Bijbel, citeerde de tekstdichter voor het openingskoor een vers uit Psalm 50 (Psalm 50:23) en voor het eerste recitatief in Deel II, de verzen 15 en 16 uit het evangelie. Het slotkoraal is de derde strofe van de hymne “Nun lob, mein Seel, den Herren” (1525) van Johann Gramann (Poliander). Later gebruikte hij de openingsbeweging voor de beweging Cum sancto Spritu in het Gloria van zijn Missa in G, BWV 236.

“Was Gott tut, das ist wohlgetan” (BWV 99) is de oudste van de drie cantates die bewaard zijn gebleven die Bach componeerde op het destijds bekend koraal “Was Gott tut, das ist wohlgetan”, geschreven door Samuel Rodigast. De andere twee cantates zijn BWV 98 en BWV 100. De cantate is geschreven voor de vijftiende zondag na Trinitatis en werd voor het eerst uitgevoerd op 17 september 1724 in Leipzig. De tekst van de cantate sluit aan bij de Bijbellezingen voor die zondag, Galaten 5 vers 25—Galaten 6 vers 10 (over de vruchten van de Geest) en Matteüs 6, vers 23—34.

De zang wordt uitgevoerd door de vier solisten en volledig koor. Het orkest bestaat uit twee violen, een altviool, hoorn, hobo d’amore, traverso en basso continuo. Opvallend is dat de traverso in drie stukken een opvallende partij speelt. In de zomer van 1724 componeerde Bach een grote rol voor de traverso in meerdere cantates, zoals BWV 94, BWV 113 en BWV 114. Men neemt tegenwoordig aan dat Bach in deze periode de beschikking had over een zeer talentvolle fluitist. Er wordt daarbij gedacht aan de toenmalige rechtenstudent Friedrich Gottlieb Wild. Bach leerde Wild in 1724 kennen en gaf hem enige tijd muziekles. Het is daarentegen ook mogelijk dat de traverso partijen in deze cantates studies waren voor de door Bach gecomponeerde Sonate voor fluit en continuo (BWV 1034). De muziek van de cantate is over het algemeen vrolijk, wat past bij de tekst van de cantate die vertelt over de mens die erop kan vertrouwen dat “alles wat God doet, goed is”. Een magnifieke uitvoering!

“Ich habe genug” (BWV 82, BC A169a) werd gecomponeerd in Leipzig voor Maria Lichtmis/Mariä Reinigung of “Darstellung des Herrn” (Festo Purificationis Mariae) op 2 februari 1727. De tekst van de cantate is afgeleid van de Lofzang van Simeon uit Lucas 2 vers 25-35. In dit verhaal wordt verteld dat de oude priester Simeon de belofte kreeg niet te zullen sterven vooraleer hij met eigen ogen de Messias had gezien. Nadat Maria Jezus aan hem toonde, sprak Simeon volgens de evangelist de woorden “Met eigen ogen heb ik de redding gezien, een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israël, uw volk”. De tekst spreekt over het vreugdevol uitzien naar de dood en het eeuwig leven en de muziek is daarom vanuit geloofsovertuiging, vrolijk. De laatste aria “Ich freue mich auf meinem Tod”, heeft zelfs een dansant ritme. Deze cantate behoorde tot de derde cantatejaargang (1725-1726-begin 1727).

Bach gebruikte toen opnieuw vroegere teksten en teksten van diverse dichters als Georg Christian Lehms, Salomo Franck en Erdmann Neumeister . Deze jaargang bevatte veel solocantaten en dialoogcantaten met obligate orgelpartijen en in samenwerking met zijn oudste zoon Wilhelm Friedemann gecomponeerde, opvallend uitgebreide instrumentale sinfonia’s, deels geïnspireerd op muziek van vroegere concerti. Delen van de cantate werden in het “Notenbüchlein für Anna Magdalena Bach” gekopieerd.

Bach componeerde de kerkcantate “Gott soll allein mein Herze haben”, BWV 169, een solo-cantate voor een alt-solist, in Leipzig voor de 18de zondag na Trinitatis en voerde ze voor het eerst uit op 20 oktober 1726. De lezingen voor die zondag waren de eerste brief aan de Korinthiërs, Paulus’ dank voor de genade van God in Efeze (1 Korinthiërs 1: 4-8), en uit het Evangelie, het grote gebod (Mattheüs 22: 34-46 ).

De onbekende auteur van de tekst concentreerde zich op de liefde van God in de bewegingen 2 tot 5 en voegde een beweging toe over de liefde van je medemens in beweging 6, met in het slotkoraal, het derde vers van Martin Luthers “Nun gebeten wir den Heiligen Geist “. Het tweede recitatief is een parafrase van Koningen 2: 1, Elia opgeheven naar de hemel. De tweede aria is een parafrase van Johannes 2: 15-16, die de liefde voor God onderscheidt van de liefde voor de wereld. Uitvoerders zijn Maude Gratton (orgel), Benoît Arnould (bariton) , Damien Guillon (contratenor) , Le Banquet Céleste, Nicholas Scott (tenor) en Céline Scheen (sopraan) (foto met Damien Guillon).

De enige andere bestaande cantate voor diezelfde zondag is de koraalcantate “Herr Christus, der einge Gottessohn”, BWV 96, gecomponeerd in 1724. Net als drie andere cantates, “Widerstehe doch der Sünde”, BWV 54 (1714), en “Geist und Seele wird verwirret”, BWV 35, en “Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust”, BWV 170 uit 1726, componeerde Bach “Gott soll allein mein Herze haben” voor een enkele alt solist. Deze drie cantates, geschreven binnen een paar maanden, gebruikten het orgel als een obbligato-instrument, mogelijks in functie van de combinatie van de altstem met orgelregistraties. Een week later componeerde Bach de beroemde cantate voor bas solo, “Ich zal den Kreuzstab gerne tragen”, BWV 56, ook afgesloten met een koraal. Het is niet bekend of Bach naar teksten zocht die geschikt waren voor een solostem, of als teksten “administratief aan hem werden opgelegd”, wat de individuele vroomheid benadrukte en daarom voorstelde om als solo-cantates te worden behandeld. Bach voerde de cantate als onderdeel van zijn derde jaarlijkse cyclus van cantates, voor het eerst uit op 20 oktober 1726.

De Franse organiste en klaveciniste, Maude Gratton (°1983) studeerde orgel en klavecimbel aan het Conservatorium van Poitiers, bij Dominique Ferran en verder bij Pierre Hantaï, Louis Robilliard en Michel Bourcier. Aan het Conservatorium van Parijs behaalde ze een Eerste prijs voor klavecimbel, bij Olivier Baumont, basso continuo bij Blandine Rannou, orgel bij Michel Bouvard en Olivier Latry, en contrapunt bij Olivier Trachier. Ze studeerde tevens harmonie bij Jean-François Zygel. Ze speelde met het Ensemble Jérôme Hantaï, Le Concert Français (o.l.v. Pierre Hantaï), Il Seminario musicale (o.l.v. Gérard Lesne), Pulcinella (o.l.v. Ophélie Gaillard) en met het Ricercare Consort van Philippe Pierlot. Ze nam deel aan de integrale uitvoering van het orgelwerk van Jean-Louis Florentz in Saarbrücken en aan creaties in Parijs van werk van Nicolas Frize, en ze gaf bij herhaling recitals op klavichord. In 2005 begeleidde ze de zangacademie Le Jardin des Voix o.l.v. William Christie. Ze concerteert vaak met de celliste Claire Gratton en de violiste Stéphanie Paulet, met wie ze in 2005 het ensemble Il Convito Musicale oprichtte. © 2019 Stretto





Naxos Records, a member of the Naxos Music Group